"La Rivista di Engramma (online)" ISSN 1826-901X

153 | febbraio 2018

9788894840315

titolo

A laboratory of the science of culture

Aby Warburg’s Gesammelte Schriften, I. II. Die Erneuerung der heidnischen Antike, Leipzig, Teubner, 1932 (in “De Gids” 97, 1933, pp. 363-367).

Review by Johan Huizinga. Translation by Monica Centanni, Sergio Polano and Elizabeth Thomson

Italian version 
 

We present here the first Italian and English translations of Johan Huizinga’s review of Aby Warburg’s work published in the periodical "De Gids" in 1933, a few months after the German edition of Gesammelte Schriften (see the digital edition published by Bibliotheek voor de Nederlandse letteren) – an important text to measure the timely reception of Warburgian thinking, and the intelligent and brilliant synthesis of Warburg’s method that Huizinga proposes. In closing, his anxious note “Men moet levendig hopen, dat deze fijne plant in de stormen van onzen ruwen tijd niet moge vergaan” (“We must strongly hope that this beautiful plant does not perish in the storms of our difficult time”) denotes an early understanding of the real storm that would soon be hitting the Kunsthistorische Institut Warburg in Hamburg with the coming into power of the National Socialist Party.

A. Warburg (die hem kenden spraken altijd van Aby Warburg) werd in 1866 te Hamburg geboren. Hij studeerde kunstgeschiedenis. Zijn dissertatie Sandro Botticellis ‘Geburt der Venus’ und ‘Frühling’, geeft de richting van zijn geheele latere werk aan. Hij toonde aan, hoe de schilder tot in bijzonderheden de voorstelling weergeeft, die Poliziano in zijn gedichten aan de homerische hymne en aan Ovidius ontleende.

Born in Hamburg in 1866, A. Warburg (Aby Warburg, to those who knew him) studied history of art. His dissertation, Sandro Botticellis' “Geburt der Venus’ und ‘Frühling’, defined the direction of all his subsequent work: Warburg demonstrates how Botticelli depicted in detail the image that Poliziano in his verses had drawn from the Homeric hymn [to Aphrodite] and from Ovid.

Om bewegend leven voor te stellen heeft de vroege Renaissance de hulp en aanwijzing noodig van antieke voorbeelden. Met dit zoeken naar de reden der ontleening was Warburg’s blik reeds van het strikt kunsthistorische op de grondslagen der kunst in de cultuur overgegaan. De psychologische factoren, die het proces van zulke ontleeningen en vervormingen bepalen, de verandering der beteekenis van zulke motieven, de verhouding van het kunstwerk tot het litteraire document, de betrekkingen tusschen opdrachtgever en kunstenaar, de bestemming en de zin van het kunstwerk in het maatschappelijke leven, op dit alles is voortaan zijn belangstelling gericht.

To portray life in movement, the early Renaissance drew the support and guidance it needed from ancient models. With this search for borrowed motifs [from ancient models], Warburg's gaze had already moved from the strictly art-historical sphere to the foundations of art in culture. The psychological factors that determined the evolution of these borrowings and deformations, the change in meaning of these motifs, the relationship of the work of art with literary texts and between client and artist, and the purpose and meaning of art in social life - all this later became the focus of his concerns.

Na zijn inzicht door psychologische studiën en door eenige ethnologische ervaring te hebben uitgebreid (reeds door Usener in Bonn was hij op het verstaan van godsdienstwetenschappelijke vragen voorbereid), werkte hij in Florence verscheiden jaren in het onuitputtelijk rijke materiaal, dat hem hier geboden werd. Florence en Hamburg hebben op zijn leven en werk hun stempel gedrukt.

After developing his intuition with studies in psychology and ethnology (he had already learned from Usener in Bonn how to comprehend problems relating to the science of religion), Warburg worked for several years in Florence with the inexhaustible wealth of material on offer to him there. Both Florence and Hamburg left their mark on his life and work.

Van 1901 af heeft Warburg weer in zijn geboortestad gewoond, maar in voortdurend contact met Italië. In Hamburg vormde zich zijn bibliotheek, die reeds bij zijn leven, in 1921, tot een ‘Forschungsinstitut’ werd uitgebreid, waar beoefenaars van verschillende takken van wetenschap tezamen konden voortwerken aan de problemen door hem aangewezen.

From 1901, Warburg again returned to live in his hometown while remaining in constant contact with Italy. In Hamburg, the library that he had set up during his lifetime was transformed in 1921 into a 'research institute', where scholars of various scientific disciplines could work together on the problems he had identified.

Toen hij in 1929 stierf, had de ‘Kulturwissenschaftliche Bibliothek Warburg’ reeds lang haar plaats als een van de merkwaardigste en vruchtbaarste werkplaatsen der cultuurwetenschap verworven. Tweeëntwintig zelfstandig uitgegeven ‘Studien’, negen deelen jaarlijksche ‘Vorträge’, thans deze statige banden van Warburg’s eigen geschriften getuigen ervan; het eerste deel eener jaarlijksche bibliographie ‘zum Problem des Nachlebens der Antike’ is binnenkort te verwachten. Op een hoogst uitzonderlijke wijze is hier de geest van een opmerkelijk denker en werker duurzaam vastgelegd en levend gehouden in een fijn bewerktuigd wetenschappelijk instituut.

When he died in 1929, the ‘Kulturwissenschaftliche Bibliothek Warburg’ had long since earned its place as one of the most remarkable and fruitful workshops of cultural science. Twenty-two volumes of ‘Studien’, nine annually published editions of ‘Vorträge’, and now this imposing collection of Warburg’s writings are evidence of this. The first part of an annual bibliography ‘zum Problem des Nachlebens der Antike’ (‘On the problem of survival of antiquity’) is also expected soon. In the most extraordinary way, the spirit of a remarkable thinker and valued scholar has given birth to a permanent project and has been kept alive in a magnificently conceived scientific institute.

Misschien zal de belangrijkheid van het onderwerp, waaraan Warburg zijn krachten heeft gewijd, niet onmiddellijk tot den algemeenen lezer spreken. Het is daarom van gewicht, over zijn denkbeelden en geschriften, en over de inrichting van zijn bibliotheek, iets meer te zeggen.

Perhaps the importance of the subject to which Warburg devoted his energies will not be immediately meaningful to the common reader. It is important, therefore, to say something more about his ideas, his writings, and the structure of his library.

De cultuurwetenschap concentreert zich voor Warburg in ‘Ausdruckskunde’, ‘historische Psychologie des menschlichen Ausdrucks’, het naspeuren en kennen van de wijze, waarop de menschheid haar diepst-bewegende denkbeelden in bepaalde vormen heeft vastgelegd, en hoe deze vormen traditie worden van een ongeloofelijke levenskracht, somtijds schijnbaar geheel afgestorven, grotesk verschoven en ontaard, en dan opeens vatbaar om tot nieuwe beteekenis te worden gewekt.

For Warburg, the Science of Culture focusses on ‘Ausdruckskunde’, the ‘historical psychology of human expressions’, and the search for and recognition of the way in which Mankind has captured and recorded ideas and intimate emotions in certain forms, and how these forms became traditions of an incredible life force that sometimes are seemingly dead, grotesquely transformed and degenerated, suddenly revealing themselves susceptible to being reawakened to new meaning.

De aandacht is dus in de eerste plaats gericht op motieven, formules, teekens, symbolen, daarachter op stijl. In dit proces van overlevering en opneming der uitdrukkingsvormen is er geen scheiding tusschen Oudheid, Middeleeuwen en Renaissance. De vormende periode, die der Oudheid, blijft met een geweldige kracht en taaiheid nawerken. Maar achter de Grieksch-Romeinsche voorstellingswereld ligt weer de oude Oostersche, die op sommige gebieden, met name in alles wat met astrologie samenhangt, zich tot in de moderne beschaving manifesteert.

His focus is, therefore, primarily on the motifs, formulas, signs, and symbols that lie behind style. In this process of restitution and inclusion of forms of expression, there is no separation between antiquity, the Middle Ages, and the Renaissance. The formative period, which is that of antiquity, continued to function with great force and rigour. But behind the Greco-Roman world of the imagination lay the Ancient East, which in some areas, especially everything associated with astrology, manifests itself in modern civilisation.

Met dit alles geheel afgewend van de louter aesthetischformale of technisch-historische kunstgeschiedenis, wordt het dus voor Warburg van bijkomstige beteekenis, of hij die uitdrukkingskunde nagaat aan een eeuwig kunstwerk in beeld of woord, dan wel aan curiosa van oude vlugschriften, aan de verwarrende afbeeldingen der astrologie, aan monsterachtige verbeeldingen van het bijgeloof.

Detaching himself completely from a history of the art that was purely aesthetic and formalistic, and historical and technical, Warburg considered it of secondary importance, in relation to the eternal nature of a work of art, whether it was made up of images or words, a curious ancient Pamphlet, confusing astrological figures, or monstrous images of superstition.

De telkens terugkeerende termen, waarmee hij de leidende motieven aanduidt, zijn ‘Pathosformel’ en ‘Energiesymbol’. De heidensche cultuur heeft aan bepaalde elementaire bewogenheden (Erregungen) der menschelijke ziel in haar cultus en in haar kunst een maximum van uitdrukking weten te geven, dat aan de eens gevormde motieven of symbolen hun voortdurende levenkracht geeft.

The recurring terms with which Warburg refers to the guiding motifs are ‘Pathosformel’ and ‘Energiesymbol’. In its own religion and art, pagan culture succeeded in achieving the utmost expression for certain elementary emotions (Erregungen) of the human soul, endowing with a lasting vital force the motifs and symbols that were formed at the time.

Warburg ziet de cultuurhouding van elk tijdperk als een polaire spanning, waarbij, naar het woord van Goethe, ‘das unauflösliche Problem in der Mitte’ blijft.

Warburg sees the cultural attitude of every era as a polar tension in which, in the words of Goethe, “the problem, impossible to resolve”, lies” in-between” (“das unauflösliche Problem in der Mitte”).

Al deze zienswijzen en inzichten heeft de schrijver niet in cultuurphilosophische abstractie uitgedrukt, maar ze in uiterst exacte, strikt historisch-philologische onderzoekingen over zeer bepaalde samenhangen om zoo te zeggen illustratief voorgelegd.

All these visions and intuitions were not presented by the scholar in terms of cultural and philosophical abstraction, but in very precise, strictly historical philological studies conducted on very specific links and associations.

In tijdsvolgorde beschouwd, vertoont Warburg’s werk zijn gang van het nog grootendeels formeel kunsthistorische motief naar de diepste grondvragen. Eerst brengt zijn studie van het Florentijnsche quattrocento hem op de merkwaardige tegenstelling en strijd tusschen de Oudheid in Bourgondisch gewaad, maniera antica alla franzese, en de nieuw gevonden ideale voorstelling der Florentijnsche renaissance, en daarmee zoowel op de uitwisseling tusschen de Bourgondische Nederlanden en Florence, als op het vruchtbare gebied der feestdecoratie. Het Fortuna-motief brengt hem vervolgens op de astrologische figuren, en daarmee steeds verder van de eigenlijke kunstgeschiedenis af naar cultuur- en godsdiensthistorische problemen. Nu vond hij de ware benaming voor Botticelli’s beroemde schilderij, niet Primavera maar Venere Pianeta.

Considered in a timeline, Warburg's work shows a path that goes from art-historical motifs still largely formal to deeper questions. Initially, his study of C15th Florence led him to investigate the remarkable contradiction between antiquity in Burgundian garments, the maniera antica alla franzese, and the newly found ideal depiction of the Florentine Renaissance, and consequently the exchanges between the Burgundian Netherlands and Florence in the lush area of festive adornment. Later, the theme of Fortuna led him to astrological figures and, therefore, further and further from the history of art in the strictest sense, towards problems of cultural and religious history. This was the route that led him to find the true title of Botticelli’s famous painting: not Primavera, but The Planet Venus.

Voor de Middeleeuwen, en nog voor het Bourgondische Noorden, fungeerde de Oudheid niet in de eerste plaats als bron en model van vormschoonheid maar tevens als een onderlaag van nog levende, praktische cultuur, verwezen naar het domein van het louter daemonische. De goden leefden er een clandestien leven als kosmische daemonen. De antieke verbeeldingen lagen in den ban van ‘illustrativer Hörigkeit und astrologischer Praktik’, de olympische figuren waren gedost in het gewaad van den tijd, en droegen grotesk-monsterachtige trekken. Uit deze verwording heeft Florence de antieke voorstellingswereld bevrijd. Maar tegelijk met de restitutie van een ‘höheren antikisierenden Idealstil’ werd de zin der Oudheid louter litterair-aesthetisch, althans op het niveau der hoogere cultuur, want de astrologie met haar bonte en bijstere figurenkraam stierf ook toen niet af.

Previously, in the Middle Ages, and even in the Burgundian culture of the North, antiquity did not function as a primary source and model of formal beauty, but as the background for a culture that was still alive and practical, connected to the domain of what was purely daemonic. The gods lived clandestine lives as cosmic daemons. Their ancient depictions were recorded as “Illustrativer Hörigkeit und astrologischer Praktik” (“Illustrative apparatuses and astrological practices”), while the Olympians were dressed in contemporary clothing, revealing grotesque and monstrous traits. Florence freed the imagination of the ancient world from this degeneration. But while there was a return to a “Höheren Antikisierenden Idealstil” (“Elevated antiquicising ideal style”), the sense of antiquity was purely aesthetic and literary, at least at the level of high culture, because astrology with its networks of colourful figures did not die out abruptly.

Warburg geeft u dit alles in de nauwkeurigst nagespeurde bijzonderheden, zonder eenigen toeleg tot bondige synthese. Hij brengt u voortdurend temidden van de rijkdommen der cultuur, hij laat juweelen schitteren op zijn hand, hij brengt u voor vergezichten, hij leidt u langs ongekende achterkanten.

Warburg proposes all this in precise detail, without making concessions to the succinctness of synthesis. He constantly leads readers to wander among the riches of culture: allowing the jewels to shine in their hands, he guides them to different perspectives and directs them to unpredictable reversals.

Het is alles levend, doorvoeld en doordacht, of hij het zakenleven der Portinari nagaat, met een paar citaten het familieleven der Strozzi voor u oproept, of even wijst op Pico’s nauwe verwantschap met de sterrewichelende Este’s, of de houding van Luther en Melanchthon tegenover de astrologie beschrijft: Melanchthon de bijgeloovige, Luther die zegt: “es ist ein dreck mit irer kunst”.

All this always in a passionate, sincere and intelligent way, whether he is examining the Portinari's business activities, with some quotations from the domestic life of the Strozzi family, reflecting on the close relationship between Pico and a Member of the Este family clinging to the stars, or describing the attitude of Luther and Melanchthon towards astrology – the superstitious Melanchthon, with Luther exclaiming: “Es ist ein dreck mit irer kunst” (“Your [astrological] art is garbage”).

Ondanks al het bewonderenswaardige van zijn geest en het voortreffelijke van zijn diep en wijd gaanden arbeid blijft er aan Warburg’s figuur iets tragisch, iets van niet bereikte ontplooiïng.

Despite all his admirable intelligence and the brilliance of his deep and wide-ranging studies, the figure of Warburg remains somewhat tragic and unresolved.

Een van zijn medewerkers spreekt van Warburg’s “vom Dämon des Gestaltens besessenen Sinn”. En inderdaad, hij heeft de groote vormen en samenhangen gezien, de gedaanten opgeroepen, maar waarlijk ‘Gestalten’ gelukt hem niet, hij poogt het ook nauwelijks.

One of Warburg’s collaborators mentions Warburg’s “Vom Dämon des Gestaltens besessenen Sinn”, his “sense of obsession with the daemon of form”. He did, indeed, know about great forms and connections, and evoked their guises, but he failed at true ‘Gestalten’ – perhaps he did not even try.

Het werk, dat hij naliet, is niet een groot beeldend en vormgevend geheel, als dat van den meester, die de paden wees, waarop hij verder ging: Jacob Burckhardt. Het blijft bij ‘Bohrarbeiten’, zooals hij het zelf ergens noemt. Het is een liefdevol en uiterst conscientieus hanteeren van de kleinodiën der cultuur, waarbij de diepe samenhangen en achtergronden voortdurend worden aangeduid, doch scheppen is het niet. Af en toe kan men de qualificatie precieus niet weerhouden. Kortom Warburg heeft geen stijl. Wreekte zich aan hem in dit omgaan met de schatten van kunst en beschaving als een verfijnd kenner het voorrecht, dat hij aan tijd en middelen voor zijn onderzoek geen beperking behoefde op te leggen?

The work he has bequeathed us is not a great visual and formative whole like that of the master, Jacob Burckhardt, who indicated the paths that Warburg then travelled. It remains a sort of ‘Bohrarbeiten’, a drilling into the core, as he himself somewhere described it. It is a loving and extremely conscientious handling of small-scale culture, where deep connections and backstories are continually shown, but it is not a creative work. A comprehensive appraisal is unstable and should be made case by case. In a nutshell, Warburg had no style of his own. In dealing with the treasures of art and civilisation, he became a privileged connoisseur. Was it perhaps his privilege of not having limited time and resources for his studies?

Ditzelfde voorrecht evenwel heeft hem veroorloofd, zijn geest te doen voortleven en zijn arbeid te doen voortzetten in de instelling, die zijn naam draagt. De Bibliothek Warburg is een laboratorium van cultuurwetenschap met een omschreven probleem en program. De leidende gedachte is nog altijd die, waarvan Warburg zelf uitging: de invloed der heidensche Oudheid op de vorming van Europa’s geest. Op dat thema meent men het voornaamste hoofdstuk van de ‘historischpsychologische Ausdruckskunde’ der menschheid te kunnen opbouwen. De boekerij, die daartoe dient, omvat echter veel meer dan hetgeen dat onderwerp rechtsstreeks betreft.

That very privilege, however, made it possible for him to give continuity to his inspiration and further his work in the institution that bears his name. The Bibliothek Warburg is a laboratory of cultural science with a defined problem and program. The guiding thought is still the one Warburg himself envisioned: the influence of pagan antiquity on the formation of the European spirit. It is believed that the main chapter of the “Historischpsychologische Ausdruckskunde” (the study of the historical and psychological expressions of Mankind) was created around that very topic. The library, which serves to this end, does, however, include much more than what directly concerns that specific topic.

Systematisch verdeeld over vier afdeelingen behelst zij een rijke verzameling over godsdienstwetenschap, magie, volksgeneeskunde, waarzeggerij, kosmologie, philosophie, dan kunstgeschiedenis in den ruimsten zin des woords, litteratuurgeschiedenis en cultuurgeschiedenis, met een uitgebreide verzameling afbeeldingen, die daaraan aansluit.

Systematically divided into four sections, the Library includes a rich collection of religious studies, magic, folk medicine, chiromancy, cosmology, philosophy, as well as art history in the broadest sense of the term, the history of literature, and cultural history, with a vast collection of images related to these topics.

Wie de werkzaamheid van het instituut gedurende de ruim tien jaren van zijn bestaan overziet, kan aan het gewicht en de vruchtbaarheid van Warburg’s schepping niet twijfelen. Men moet levendig hopen, dat deze fijne plant in de stormen van onzen ruwen tijd niet moge vergaan, maar blijve bloeien en vrucht dragen in het belang van de oude en hooge cultuur zelve, wier ontwikkeling hier naar nieuwe richtlijnen wordt nagespeurd.

Those who have overseen the effective functioning of the Institute during its ten years of existence cannot doubt the importance and fertility of Warburg’s creation. We must sincerely hope that this beautiful plant will not perish in the storms of our difficult times but that it will continue to bloom and bear fruit in the interest of antiquity and high culture itself, for whose development new guidelines are being sought.

temi di ricerca

indici

colophon

archivio